28.1.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 26/1


RICHTLIJN 2011/92/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 december 2011

betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten

(codificatie)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (4). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)

Ingevolge artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie berust het milieubeleid van de Unie op het voorzorgsbeginsel en op het beginsel van preventief handelen, alsmede op de beginselen dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en dat de vervuiler betaalt. In alle technische plannings- en beslissingsprocessen dient in een zo vroeg mogelijk stadium rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het milieu.

(3)

Het lijkt noodzakelijk dat de beginselen van de milieueffectbeoordeling worden geharmoniseerd, met name ten aanzien van de vraag welke projecten aan milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen, de voornaamste verplichtingen van de opdrachtgevers en de inhoud van de milieueffectbeoordeling. De lidstaten kunnen ter bescherming van het milieu strengere voorschriften vaststellen.

(4)

Het blijkt anderzijds noodzakelijk één van de doelstellingen van de Unie op het gebied van de bescherming van het milieu en de kwaliteit van het bestaan te verwezenlijken.

(5)

De milieuwetgeving van de Unie omvat bepalingen die autoriteiten en andere instanties in staat stellen om beslissingen te nemen die aanmerkelijke gevolgen voor het milieu alsmede voor persoonlijke gezondheid en welzijn kunnen hebben.

(6)

Er moeten algemene beginselen voor de milieueffectbeoordeling worden vastgesteld ter aanvulling op en ter coördinatie van de vergunningsprocedures voor particuliere en openbare projecten die mogelijk aanzienlijke gevolgen voor het milieu hebben.

(7)

Voor openbare en particuliere projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben dient alleen een vergunning te worden verleend na een beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten die deze projecten kunnen hebben. Die beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van passende informatie die verstrekt wordt door de opdrachtgever en eventueel wordt aangevuld door de autoriteiten en door het publiek voor wie het project gevolgen zou kunnen hebben.

(8)

Projecten van bepaalde categorieën hebben aanzienlijke gevolgen voor het milieu en die projecten moeten in beginsel aan een systematische milieueffectbeoordeling worden onderworpen.

(9)

Projecten van andere categorieën hebben niet noodzakelijkerwijs in alle gevallen aanzienlijke gevolgen voor het milieu en die projecten moeten aan een beoordeling worden onderworpen wanneer de lidstaten menen dat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.

(10)

De lidstaten kunnen drempelwaarden of criteria vaststellen om te bepalen welke van die projecten op grond van de omvang van hun milieueffecten moeten worden beoordeeld. Van de lidstaten zal niet worden geëist dat zij projecten die onder die drempelwaarden blijven of buiten deze criteria vallen stuk voor stuk bestuderen.

(11)

Bij de vaststelling van deze drempelwaarden of criteria of bij het stuk voor stuk bestuderen van projecten om te bepalen welke van die projecten op grond van de omvang van hun milieueffecten moeten worden beoordeeld, dienen de lidstaten rekening te houden met de relevante selectiecriteria in deze richtlijn. De lidstaten komen volgens het subsidiariteitsbeginsel het meest in aanmerking om die criteria in de praktijk toe te passen.

(12)

Bij projecten die aan een beoordeling worden onderworpen moet ten minste een bepaalde minimuminformatie over het project en de gevolgen ervan worden verstrekt.

(13)

Het is dienstig een procedure in te voeren via welke de opdrachtgever van de bevoegde overheidsinstanties kan vernemen waarover en in welke mate er informatie met het oog op de beoordeling dient te worden uitgewerkt en te worden verstrekt. De lidstaten kunnen de opdrachtgever in het kader van die procedure verzoeken om onder andere alternatieven te geven voor de projecten waarvoor hij van plan is een aanvraag in te dienen.

(14)

De milieueffecten van een project moeten worden beoordeeld teneinde rekening te houden met het streven de gezondheid van de mens te beschermen, via een beter milieu bij te dragen aan de kwaliteit van het bestaan, toe te zien op de instandhouding van de diversiteit van de soorten, en het reproductievermogen van het ecosysteem als fundamentele grondslag van het leven in stand te houden.

(15)

Het is gewenst aangescherpte voorschriften vast te stellen betreffende milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen op internationaal niveau. De Europese Gemeenschap heeft op 25 februari 1991 het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend en op 24 juni 1997 geratificeerd.

(16)

Werkelijke inspraak bij het nemen van beslissingen biedt het publiek de gelegenheid zijn mening en bezorgdheid die van belang kunnen zijn voor die beslissingen, te uiten en stelt de besluitvormers in staat daarmee rekening te houden, hetgeen de verantwoording en de transparantie van de besluitvorming vergroot en bijdraagt tot de bewustheid bij het publiek van milieuvraagstukken en steun aan de genomen beslissingen.

(17)

Inspraak, waaronder inspraak van verenigingen, organisaties en groepen, in het bijzonder niet-gouvernementele organisaties die de milieubescherming bevorderen, moet derhalve worden aangemoedigd, onder meer door het stimuleren van scholing van het publiek op milieugebied.

(18)

De Europese Gemeenschap heeft het Verdrag van de VN/ECE betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het Verdrag van Aarhus) op 25 juni 1998 ondertekend en op 17 februari 2005 geratificeerd.

(19)

Een van de doelstellingen van het Verdrag van Aarhus is het waarborgen van rechten inzake inspraak in besluitvorming in milieuaangelegenheden teneinde bij te dragen tot de bescherming van het recht in een milieu te leven dat passend is voor persoonlijke gezondheid en welzijn.

(20)

Artikel 6 van het Verdrag van Aarhus voorziet in inspraak in besluiten over specifieke in bijlage I bij dat Verdrag vermelde activiteiten en betreffende niet vermelde activiteiten welke aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben.

(21)

Artikel 9, leden 2 en 4, van het Verdrag van Aarhus regelt de toegang tot gerechtelijke of andere procedures voor het bestrijden van de materiële en formele rechtmatigheid van de besluiten, het handelen of het nalaten vallende onder de inspraakbepalingen van artikel 6 van dat verdrag.

(22)

Deze richtlijn dient echter niet te worden toegepast op projecten die in detail worden aangenomen middels een specifieke nationale wet, aangezien de doelstellingen die met deze richtlijn worden nagestreefd, waaronder het verstrekken van informatie, dan via de wetgevingsprocedure worden bereikt.

(23)

Het kan voorts in uitzonderlijke gevallen passend blijken voor een specifiek project vrijstelling te verlenen van de in deze richtlijn voorgeschreven beoordelingsprocedures, mits de Commissie en het betrokken publiek hieromtrent naar behoren worden geïnformeerd.

(24)

Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn onvoldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de omvang en de gevolgen van het optreden, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(25)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage V, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Deze richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

2.   In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)   „project”:

de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken,

andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten;

b)   „opdrachtgever”: de aanvrager van een vergunning voor een particulier project of de overheidsinstantie die het initiatief tot een project neemt;

c)   „vergunning”: het besluit van de bevoegde instantie of instanties waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren;

d)   „publiek”: één of meer natuurlijke personen of rechtspersonen en, in overeenstemming met de nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen;

e)   „betrokken publiek”: het publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures. Voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en voldoen aan de eisen van nationaal recht, geacht belanghebbende te zijn;

f)   „bevoegde instantie” of „bevoegde instanties”: de instantie of instanties die de lidstaten aanwijzen om de taken uit te voeren, die uit deze richtlijn voortvloeien.

3.   Indien hun nationale wetgeving daarin voorziet, kunnen de lidstaten per geval besluiten deze richtlijn niet toe te passen ten aanzien van projecten voor nationale defensiedoeleinden, indien zij oordelen dat toepassing nadelige gevolgen zou hebben voor deze doeleinden.

4.   Deze richtlijn is niet van toepassing op projecten die in detail worden aangenomen via een specifieke nationale wet, aangezien de doelstellingen die met de onderhavige richtlijn worden nagestreefd, waaronder het verstrekken van informatie, dan worden bereikt via de wetgevingsprocedure.

Artikel 2

1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en dat een beoordeling van hun effecten plaatsvindt alvorens een vergunning wordt verleend. Deze projecten worden omschreven in artikel 4.

2.   De milieueffectbeoordeling kan worden geïntegreerd in de bestaande procedures van de lidstaten voor het verlenen van vergunningen voor projecten of, bij gebreke hiervan, in andere procedures of in de procedures die moeten worden ingesteld om aan de doelstellingen van deze richtlijn te voldoen.

3.   De lidstaten kunnen voorzien in een enkelvoudige procedure om te voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn en die van Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (5).

4.   Onverminderd de bepalingen van artikel 7, kunnen de lidstaten in uitzonderlijke gevallen voor een welbepaald project gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van de bepalingen van deze richtlijn.

In dit geval:

a)

gaan de lidstaten na of er geen andere vorm van beoordeling geschikt is;

b)

stellen zij de gegevens die zijn verzameld door andere vormen van beoordeling zoals bedoeld onder a), alsmede de gegevens over en de redenen van de vrijstelling ter beschikking van het betrokken publiek;

c)

stellen zij de Commissie, voordat de vergunning wordt verleend, op de hoogte van de redenen waarom de vrijstelling is verleend en verschaffen zij haar alle informatie die zij waar dat van toepassing is ter beschikking van hun eigen onderdanen stellen.

De Commissie zendt de ontvangen documenten onmiddellijk door aan de andere lidstaten.

De Commissie brengt elk jaar bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van dit lid.

Artikel 3

Bij de milieueffectbeoordeling worden de directe en indirecte effecten van een project overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 12 per geval op passende wijze geïdentificeerd, beschreven en beoordeeld op de volgende factoren:

a)

mens, dier en plant;

b)

bodem, water, lucht, klimaat en landschap;

c)

materiële goederen en het culturele erfgoed;

d)

de samenhang tussen de onder a), b) en c) genoemde factoren.

Artikel 4

1.   Onder voorbehoud van artikel 2, lid 4, worden de in bijlage I genoemde projecten onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.

2.   Onder voorbehoud van artikel 2, lid 4, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10, zulks:

a)

door middel van een onderzoek per geval,

of

b)

aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria.

De lidstaten kunnen besluiten om beide onder a) en b) genoemde procedures toe te passen.

3.   Bij het onderzoek per geval of bij de vaststelling van drempelwaarden of criteria bij de toepassing van lid 2 moeten de relevante selectiecriteria van bijlage III in acht worden genomen.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de overeenkomstig lid 2 door de bevoegde instanties verrichte bepalingen ter beschikking van het publiek worden gesteld.

Artikel 5

1.   Bij projecten die krachtens artikel 4 moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling overeenkomstig dit artikel en artikelen 6 tot en met 10, treffen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de opdrachtgever in passende vorm de in bijlage IV bedoelde informatie verstrekt, voor zover:

a)

de lidstaten deze informatie van belang achten in een bepaald stadium van de vergunningsprocedure en voor de specifieke kenmerken van een bepaald project of projecttype en van de milieuaspecten die hierdoor kunnen worden beïnvloed;

b)

de lidstaten, onder meer op grond van de bestaande kennis en beoordelingsmethoden, menen dat redelijkerwijs van een opdrachtgever mag worden verlangd dat hij die informatie verzamelt.

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, indien de opdrachtgever daarom verzoekt voordat hij een aanvraag om een vergunning indient, de bevoegde instantie advies uitbrengt over de door de opdrachtgever overeenkomstig lid 1 te verstrekken informatie. De bevoegde instantie raadpleegt de opdrachtgever en de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties voordat zij haar advies uitbrengt. Het feit dat de instantie overeenkomstig dit lid een advies heeft uitgebracht, belet haar niet om vervolgens meer informatie van de opdrachtgever te verlangen.

De lidstaten kunnen de bevoegde instanties verplichten om een dergelijk advies te verstrekken, ongeacht of de opdrachtgever daarom verzoekt of niet.

3.   De informatie die de opdrachtgever overeenkomstig lid 1 moet verstrekken, moet ten minste het volgende bevatten:

a)

een beschrijving van het project met informatie over vestigingsplaats, ontwerp en omvang van het project;

b)

een beschrijving van de beoogde maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten te vermijden, te beperken en zo mogelijk te verhelpen;

c)

de nodige gegevens om de voornaamste milieueffecten die het project vermoedelijk zal hebben, te kunnen bepalen en beoordelen;

d)

een schets van de voornaamste alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht, met opgave van de voornaamste motieven voor zijn keuze, met inachtneming van de milieueffecten;

e)

een niet-technische samenvatting van de onder a) tot en met d) bedoelde gegevens.

4.   Zo nodig zorgen de lidstaten ervoor dat instanties die over relevante informatie beschikken, in het bijzonder gelet op artikel 3, deze informatie ter beschikking stellen aan de opdrachtgever.

Artikel 6

1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied met het project te maken kunnen krijgen, de gelegenheid krijgen advies uit te brengen over de door de opdrachtgever verstrekte informatie en over de aanvraag voor een vergunning. Te dien einde wijzen de lidstaten in het algemeen of per geval de te raadplegen instanties aan. Deze worden in kennis gesteld van de krachtens artikel 5 verzamelde informatie. De gedetailleerde regeling van deze raadpleging wordt door de lidstaten vastgesteld.

2.   Het publiek wordt door openbare kennisgevingen of op een andere passende wijze, bijvoorbeeld met elektronische middelen, indien beschikbaar, in een vroeg stadium van de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures en uiterlijk zodra redelijkerwijs informatie kan worden verstrekt in kennis gesteld van het volgende:

a)

de aanvraag om een vergunning;

b)

het feit dat het project aan een milieueffectbeoordelingsprocedure is onderworpen en, voor zover relevant, het feit dat artikel 7 van toepassing is;

c)

nadere gegevens betreffende de bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor de besluitvorming, die waarbij relevante informatie kan worden verkregen, die waaraan opmerkingen of vragen kunnen worden voorgelegd en nadere gegevens betreffende de termijnen voor het toezenden van opmerkingen of vragen;

d)

de aard van de eventuele besluiten of, indien van toepassing, van het ontwerpbesluit;

e)

een indicatie van de beschikbaarheid van de ingevolge artikel 5 verzamelde informatie;

f)

tijd, plaats en wijze van verstrekking van de relevante informatie;

g)

nadere gegevens inzake de regelingen voor inspraak die ingevolge lid 5 van dit artikel zijn vastgesteld.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat het volgende binnen een redelijke termijn aan het betrokken publiek ter beschikking wordt gesteld:

a)

de ingevolge artikel 5 verzamelde informatie;

b)

in overeenstemming met de nationale wetgeving, de voornaamste rapporten en adviezen die aan de bevoegde instanties zijn uitgebracht op het tijdstip waarop het betrokken publiek wordt geïnformeerd in overeenstemming met lid 2;

c)

overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (6), andere informatie dan de in lid 2 bedoelde die relevant is voor het besluit overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn en die pas beschikbaar wordt nadat het betrokken publiek overeenkomstig lid 2 van dit artikel is geïnformeerd.

4.   Het betrokken publiek dient in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak in de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures te krijgen en heeft daartoe het recht, wanneer alle opties open zijn, opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde instantie(s) voordat het besluit over de vergunningsaanvraag wordt genomen.

5.   De nadere regelingen voor het informeren van het publiek (bijvoorbeeld met aanplakbiljetten binnen een bepaalde omtrek of publicatie in plaatselijke kranten) en de raadpleging van het betrokken publiek (bijvoorbeeld schriftelijk of met een openbare enquête) worden bepaald door de lidstaten.

6.   Er wordt voor de onderscheidene fasen in redelijke termijnen voorzien, die toereikend zijn voor de voorlichting van het publiek en, voor het betrokken publiek, voor doeltreffende voorbereiding op en inspraak in het milieubesluitvormingsproces overeenkomstig dit artikel.

Artikel 7

1.   Wanneer een lidstaat constateert dat een project vermoedelijk aanzienlijke milieueffecten zal hebben in een andere lidstaat of wanneer een lidstaat waarvan het milieu vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden, hierom verzoekt, doet de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren, de andere lidstaat zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk wanneer hij zijn eigen publiek informeert, onder meer toekomen:

a)

een beschrijving van het project, met alle beschikbare informatie over het mogelijke grensoverschrijdende effect ervan;

b)

informatie over de aard van de beslissing die kan worden genomen.

De lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren geeft de andere lidstaat een redelijke termijn om kenbaar te maken of hij wenst deel te nemen aan de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures; tevens kan hij de in lid 2 van dit artikel bedoelde informatie verstrekken.

2.   Wanneer een lidstaat die krachtens lid 1 informatie ontvangt, aangeeft dat hij voornemens is aan de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures deel te nemen, zendt de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren, voor zover hij dit nog niet heeft gedaan, de betrokken lidstaat de informatie toe die krachtens artikel 6, lid 2, moet worden verstrekt en die krachtens artikel 6, lid 3, onder a) en b), ter beschikking moet worden gesteld.

3.   Ieder van de betrokken lidstaten zorgt er tevens voor, voor zover het hem betreft, dat:

a)

de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie binnen een redelijke termijn ter beschikking wordt gesteld van de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties en van het betrokken publiek op het grondgebied van de lidstaat die vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden; en

b)

de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties en het betrokken publiek voordat een vergunning voor het project wordt verleend, de gelegenheid krijgen binnen een redelijke termijn advies over de verstrekte informatie uit te brengen aan de bevoegde instantie van de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren.

4.   De betrokken lidstaten plegen overleg over onder andere de potentiële grensoverschrijdende effecten van het project en de maatregelen die worden overwogen om die effecten te beperken of teniet te doen, en komen een redelijke termijn overeen waarbinnen het overleg moet plaatsvinden.

5.   De nadere regelingen voor de uitvoering van dit artikel kunnen worden bepaald door de betrokken lidstaten en bieden het betrokken publiek op het grondgebied van de getroffen lidstaat reële mogelijkheden tot inspraak bij de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures betreffende het project.

Artikel 8

De resultaten van de raadplegingen en de krachtens de artikelen 5, 6 en 7 ingewonnen informatie worden in het kader van de vergunningsprocedure in aanmerking genomen.

Artikel 9

1.   Wanneer een beslissing over het verlenen of weigeren van een vergunning is genomen, brengen de bevoegde instanties het betrokken publiek overeenkomstig de toepasselijke procedures op de hoogte en stellen zij de volgende informatie ter beschikking van het publiek:

a)

de inhoud van de beslissing en de eventuele voorwaarden die daaraan zijn verbonden;

b)

na bestudering van de bezorgdheid en meningen van het betrokken publiek, de voornaamste redenen en overwegingen waarop de beslissing is gebaseerd, met inbegrip van informatie over de inspraakprocedure;

c)

indien nodig, een beschrijving van de voornaamste maatregelen om aanzienlijke schadelijke effecten te voorkomen, te beperken en zo mogelijk te verhelpen.

2.   De bevoegde instantie of instanties brengen elke lidstaat die overeenkomstig artikel 7 is geraadpleegd, op de hoogte en doen hem de in lid 1 van dit artikel vermelde informatie toekomen.

De geraadpleegde lidstaten zorgen ervoor dat die informatie op een geschikte wijze ter beschikking wordt gesteld van het betrokken publiek op hun grondgebied.

Artikel 10

De bepalingen van deze richtlijn doen niet af aan de verplichting van de bevoegde instanties tot inachtneming van de door de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de geldende rechtspraktijk opgelegde beperkingen ter bescherming van het industrieel en het handelsgeheim, met inbegrip van de intellectuele eigendom, en van het openbaar belang.

Wanneer artikel 7 van toepassing is, zijn de toezending van informatie aan een andere lidstaat en de ontvangst van informatie door een andere lidstaat onderworpen aan de beperkingen die gelden in de lidstaat waar het project wordt voorgesteld.

Artikel 11

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, leden van het betrokken publiek die:

a)

een voldoende belang hebben, dan wel

b)

stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt,

in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek van deze richtlijn aan te vechten.

2.   De lidstaten bepalen in welk stadium een besluit, handelen of nalaten kan worden aangevochten.

3.   Wat een voldoende belang dan wel een inbreuk op een recht vormt, wordt bepaald door de lidstaten in het licht van de doelstelling om het publiek een ruime toegang tot de rechter te verlenen. Te dien einde wordt het belang van een niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de vereisten van artikel 1, lid 2, geacht voldoende te zijn in de zin van lid 1, onder a), van dit artikel. Tevens worden die organisaties geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van lid 1, onder b), van dit artikel.

4.   De bepalingen van dit artikel sluiten een toetsingsprocedure in eerste instantie bij een bestuursrechtelijke instantie niet uit en doen niet af aan de eis dat de bestuursrechtelijke toetsingsprocedures doorlopen moeten zijn alvorens beroep bij een rechterlijke instantie kan worden ingesteld, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht.

Een dergelijke procedure moet eerlijk, billijk en snel zijn en mag niet buitensporig kostbaar zijn.

5.   Ter verhoging van de effectiviteit van het bepaalde in dit artikel dragen de lidstaten er zorg voor dat het publiek praktische informatie wordt verstrekt over toegang tot beroepsprocedures bij bestuursrechtelijke en rechterlijke instanties.

Artikel 12

1.   De lidstaten en de Commissie wisselen inlichtingen uit over de ervaring die is opgedaan met de toepassing van deze richtlijn.

2.   In het bijzonder stellen de lidstaten de Commissie in kennis van alle criteria en/of de drempelwaarden die in voorkomend geval overeenkomstig artikel 4, lid 2, voor de selectie van de betrokken projecten zijn vastgesteld.

3.   Aan de hand van deze uitwisseling van inlichtingen legt de Commissie indien noodzakelijk aan het Europees Parlement en de Raad aanvullende voorstellen voor teneinde een voldoende gecoördineerde toepassing van deze richtlijn te garanderen.

Artikel 13

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 14

Richtlijn 85/337/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage V, deel A, genoemde richtlijnen, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage V, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VI.

Artikel 15

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 16

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 13 december 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

M. SZPUNAR


(1)  PB C 248 van 25.8.2011, blz. 154.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 13 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 15 november 2011.

(3)  PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40.

(4)  Zie bijlage VI, deel A.

(5)  PB L 24 van 29.1.2008, blz. 8.

(6)  PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.


BIJLAGE I

IN ARTIKEL 4, LID 1, BEDOELDE PROJECTEN

1.

Raffinaderijen van ruwe aardolie (met uitzondering van de bedrijven die uitsluitend smeermiddelen uit ruwe olie vervaardigen), alsmede installaties voor de vergassing en vloeibaarmaking van ten minste 500 t steenkool of bitumineuze schisten per dag.

2.

a)

Thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties met een warmtevermogen van ten minste 300 megawatt.

b)

Kerncentrales en andere kernreactoren, met inbegrip van de ontmanteling of buitengebruikstelling van dergelijke centrales of reactoren (1) (met uitzondering van onderzoekinstallaties voor de productie en verwerking van splijt- en kweekstoffen, met een constant vermogen van ten hoogste 1 thermische kW).

3.

a)

Installaties voor de opwerking van bestraalde splijtstoffen.

b)

Installaties die ontworpen zijn:

i)

voor de productie of de verrijking van splijtstoffen,

ii)

voor de behandeling van bestraalde splijtstoffen of hoog radioactief afval,

iii)

voor de definitieve verwijdering van bestraalde splijtstoffen,

iv)

uitsluitend voor de definitieve verwijdering van radioactief afval,

v)

uitsluitend voor de (voor meer dan 10 jaar geplande) opslag van bestraalde splijtstoffen of radioactief afval op een andere plaats dan het productieterrein.

4.

a)

Geïntegreerde hoogovenbedrijven voor de productie van ruwijzer en staal.

b)

Installaties voor de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procedés.

5.

Installaties voor de winning van asbest, alsmede voor de behandeling en de verwerking van asbest en asbesthoudende producten: voor producten van asbestcement, met een jaarproductie van meer dan 20 000 t eindproducten, voor remvoeringen, met een jaarproductie van meer dan 50 t eindproducten, alsmede — voor andere toepassingsmogelijkheden van asbest — met een gebruik van meer dan 200 t per jaar.

6.

Geïntegreerde chemische installaties, d.w.z. installaties voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van:

a)

organische basischemicaliën;

b)

anorganische basischemicaliën;

c)

fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen);

d)

basisproducten voor gewasbescherming en van biociden;

e)

farmaceutische basisproducten met een chemisch of biologisch procedé;

f)

explosieven.

7.

a)

Aanleg van spoorlijnen voor spoorverkeer over lange afstand en aanleg van vliegvelden (2) met een start- en ladingsbaan van ten minste 2 100 m.

b)

Aanleg van autosnelwegen en autowegen (3).

c)

Aanleg van nieuwe wegen met vier of meer rijstroken, of verlegging en/of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken, indien de nieuwe weg, of het verlegde en/of verbrede weggedeelte een ononderbroken lengte van 10 km of meer heeft.

8.

a)

Waterwegen en havens voor de binnenscheepvaart voor schepen van meer dan 1 350 t.

b)

Zeehandelshavens, met het land verbonden en buiten havens gelegen pieren voor lossen en laden (met uitzondering van pieren voor veerboten) die schepen van meer dan 1 350 t kunnen ontvangen.

9.

Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, de chemische behandeling zoals gedefinieerd in punt D9 van bijlage I bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen (4) of het storten van gevaarlijke afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van die richtlijn.

10.

Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding of chemische behandeling zoals gedefinieerd in punt D9 van bijlage I bij Richtlijn 2008/98/EG van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 100 t per dag.

11.

Werkzaamheden voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater wanneer het jaarlijkse volume onttrokken of aangevuld water 10 miljoen m3 of meer bedraagt.

12.

a)

Projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden wanneer deze overbrenging ten doel heeft eventuele waterschaarste te voorkomen en de hoeveelheid overgebracht water meer bedraagt dan 100 miljoen m3 per jaar.

b)

In alle andere gevallen, projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden wanneer het meerjarig gemiddelde jaardebiet van het bekken waaraan het water wordt onttrokken meer bedraagt dan 2 000 miljoen m3 en de hoeveelheid overgebracht water 5 % van dit debiet overschrijdt.

In beide gevallen is overbrenging van via leidingen aangevoerd drinkwater uitgesloten.

13.

Rioolwaterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van meer dan 150 000 inwonerequivalenten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 6, van Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (5).

14.

Commerciële winning van aardolie en aardgas wanneer de gewonnen hoeveelheid meer dan 500 t aardolie per dag of meer dan 500 000 m3 aardgas per dag bedraagt.

15.

Stuwdammen en andere installaties voor het stuwen of permanent opslaan van water, wanneer een nieuwe of extra hoeveelheid water van meer dan 10 miljoen m3 wordt gestuwd of opgeslagen.

16.

Pijpleidingen met een diameter van meer dan 800 mm en een lengte van meer dan 40 km:

a)

voor het vervoer van gas, olie of chemicaliën;

b)

voor het vervoer van kooldioxide(CO2)-stromen ten behoeve van geologische opslag, inclusief de desbetreffende pompstations.

17.

Installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan:

a)

85 000 plaatsen voor mesthoenders, 60 000 plaatsen voor hennen;

b)

3 000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg); of

c)

900 plaatsen voor zeugen.

18.

Industriële installaties voor de fabricage van:

a)

papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen;

b)

papier en karton met een productiecapaciteit van meer dan 200 t per dag.

19.

Steengroeven en dagbouwmijnen met een terreinoppervlakte van meer dan 25 hectare, of turfwinning met een terreinoppervlakte van meer dan 150 hectare.

20.

Aanleg van bovengrondse hoogspanningsleidingen van 220 kV of meer en langer dan 15 km.

21.

Installaties voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten met een capaciteit van 200 000 t of meer.

22.

Opslaglocaties overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide (6).

23.

Installaties voor het afvangen van CO2-stromen met het oog op geologische opslag overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG afkomstig van onder deze bijlage vallende installaties, of wanneer de totale jaarlijkse afvang van CO2 oploopt tot 1,5 megaton of meer.

24.

Wijziging of uitbreiding van in deze bijlage opgenomen projecten, wanneer die wijziging of uitbreiding voldoet aan de in deze bijlage genoemde drempelwaarden, voor zover deze bestaan.


(1)  Kerncentrales en andere kernreactoren houden op zulke installaties te zijn wanneer alle splijtstoffen en ander radioactief besmette elementen permanent van de plaats van installatie zijn verwijderd.

(2)  In deze richtlijn wordt onder „vliegveld” verstaan een vliegveld dat beantwoordt aan de definitie van het Verdrag van Chicago van 1944 tot oprichting van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (bijlage 14).

(3)  In deze richtlijn wordt onder „autoweg” verstaan een weg die beantwoordt aan de definitie van de Europese Overeenkomst inzake internationale hoofdverkeerswegen van 15 november 1975.

(4)  PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.

(5)  PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40.

(6)  PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114.


BIJLAGE II

IN ARTIKEL 4, LID 2, BEDOELDE PROJECTEN

1.   LANDBOUW, BOSBOUW EN AQUACULTUUR

a)

Ruilverkavelingsprojecten.

b)

Projecten voor het gebruik van niet in cultuur gebrachte gronden of seminatuurlijke gebieden voor intensieve landbouw.

c)

Waterbeheersingsprojecten voor landbouwdoeleinden, met inbegrip van irrigatie- en droogleggingsprojecten.

d)

Eerste bebossing en ontbossing met het oog op omschakeling naar een ander bodemgebruik.

e)

Intensieve veeteeltbedrijven (voor zover niet in bijlage I opgenomen).

f)

Intensieve aquacultuur van vis.

g)

Landwinning uit zee.

2.   EXTRACTIEVE BEDRIJVEN

a)

Steengroeven, dagbouwmijnen en turfwinning (niet onder bijlage I vallende projecten).

b)

Ondergrondse mijnbouw.

c)

Winning van mineralen door afbaggering van de zee- of rivierbodem.

d)

Diepboringen, met name:

i)

geothermische boringen,

ii)

boringen in verband met de opslag van kernafval,

iii)

boringen voor watervoorziening,

met uitzondering van boringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond.

e)

Oppervlakte-installaties van bedrijven voor de winning van steenkool, aardolie, aardgas, ertsen en bitumineuze schisten.

3.   ENERGIEBEDRIJVEN

a)

Industriële installaties voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water (niet onder bijlage I vallende projecten).

b)

Industriële installaties voor het transport van gas, stoom en warm water; transport van elektrische energie via bovengrondse leidingen (niet onder bijlage I vallende projecten).

c)

Bovengrondse opslag van aardgas.

d)

Ondergrondse opslag van gasvormige brandstoffen.

e)

Bovengrondse opslag van fossiele brandstoffen.

f)

Industrieel briketteren van steenkool en bruinkool.

g)

Installaties voor de behandeling en de opslag van radioactief afval (niet onder bijlage I vallende projecten).

h)

Installaties voor de productie van hydro-elektrische energie.

i)

Installaties voor de winning van windenergie voor de energieproductie (windturbineparken).

j)

Installaties voor het afvangen van CO2-stromen met het oog op geologische opslag overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG afkomstig van installaties die niet onder bijlage I bij deze richtlijn vallen.

4.   PRODUCTIE EN VERWERKING VAN METALEN

a)

Installaties voor de productie van ruwijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van continugieten.

b)

Installaties voor verwerking van ferrometalen door:

i)

warmwalsen,

ii)

smeden met hamers,

iii)

het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal.

c)

Smelterijen van ferrometalen.

d)

Installaties voor het smelten, met inbegrip van het legeren, van non-ferrometalen, met uitzondering van edele metalen, inclusief terugwinningsproducten (affineren, vormgieten enz.).

e)

Installaties voor oppervlaktebehandeling van metalen en plastic materiaal door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé.

f)

Automobielfabrieken en -assemblagebedrijven en fabrieken van automobielmotoren.

g)

Scheepswerven.

h)

Installaties voor de bouw en reparatie van luchtvaartuigen.

i)

Spoorwegmaterieelfabrieken.

j)

Uitstampen door middel van springstoffen.

k)

Installaties voor het roosten en sinteren van ertsen.

5.   MINERALE INDUSTRIE

a)

Cokesovenbedrijven (droge distillatie van steenkool).

b)

Installaties voor de vervaardiging van cement.

c)

Installaties voor de winning van asbest en de fabricage van asbestproducten (niet onder bijlage I vallende projecten).

d)

Installaties voor de fabricage van glas, met inbegrip van glasvezels.

e)

Installaties voor het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van installaties voor de fabricage van mineraalvezels.

f)

Fabricage van keramische producten door middel van bakken, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein.

6.   CHEMISCHE INDUSTRIE (NIET ONDER BIJLAGE I VALLENDE PROJECTEN)

a)

Behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliën.

b)

Productie van bestrijdingsmiddelen en farmaceutische producten, verven en vernissen, elastomeren en peroxiden.

c)

Opslagruimten voor aardolie, petrochemische en chemische producten.

7.   VOEDINGS- EN GENOTMIDDELENINDUSTRIE

a)

Vervaardiging van plantaardige en dierlijke oliën en vetten.

b)

Conservenfabrieken voor dierlijke en plantaardige producten.

c)

Zuivelfabrieken.

d)

Bierbrouwerijen en mouterijen.

e)

Suikerwaren- en siroopfabrieken.

f)

Installaties voor het slachten van dieren.

g)

Zetmeelfabrieken.

h)

Vismeel- en visoliefabrieken.

i)

Suikerfabrieken.

8.   TEXTIEL-, LEDER-, HOUT- EN PAPIERINDUSTRIE

a)

Industriële installaties voor de fabricage van papier en karton (niet onder bijlage I vallende projecten).

b)

Installaties voor de voorbehandeling (zoals wassen, bleken, merceriseren) of het verven van vezels of textiel.

c)

Installaties voor het looien van huiden.

d)

Installaties voor het produceren en bewerken van celstof.

9.   RUBBERVERWERKENDE INDUSTRIE

Vervaardiging en behandeling van producten op basis van elastomeren.

10.   INFRASTRUCTUURPROJECTEN

a)

Industrieterreinontwikkeling.

b)

Stadsontwikkelingsprojecten, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen.

c)

Aanleg van spoorwegen en faciliteiten voor de overlading tussen vervoerswijzen en van overladingsstations (niet onder bijlage I vallende projecten).

d)

Aanleg van vliegvelden (niet onder bijlage I vallende projecten).

e)

Aanleg van wegen, havens en haveninstallaties, met inbegrip van visserijhavens (niet onder bijlage I vallende projecten).

f)

Aanleg van waterwegen (projecten die niet zijn opgenomen in bijlage I), werken inzake kanalisering en ter beperking van overstromingen (floodrelief werken).

g)

Stuwdammen en andere installaties voor het stuwen of voor de lange termijn opslaan van water (niet onder bijlage I vallende projecten).

h)

Trams, boven- en ondergrondse spoorwegen, zweefspoor en dergelijke bijzondere constructies, welke uitsluitend of overwegend voor personenvervoer zijn bestemd.

i)

Olie- en gaspijpleidingsinstallaties en pijpleidingen voor het vervoer van CO2-stromen ten behoeve van geologische opslag (projecten die niet zijn opgenomen in bijlage I).

j)

Aanleg van aquaducten over lange afstand.

k)

Kustwerken om erosie te bestrijden en maritieme werken die de kust kunnen wijzigen door de aanleg van onder meer dijken, pieren, havenhoofden, en andere kustverdedigingswerken, met uitzondering van het onderhoud en herstel van deze werken.

l)

Niet in bijlage I opgenomen werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater.

m)

Niet in bijlage I opgenomen projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden.

11.   ANDERE PROJECTEN

a)

Permanente race- en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen.

b)

Installaties voor de verwijdering van afval (niet onder bijlage I vallende projecten).

c)

Rioolwaterzuiveringsinstallaties (niet onder bijlage I vallende projecten).

d)

Slibstortplaatsen.

e)

Opslag van schroot, met inbegrip van autowrakken.

f)

Testbanken voor motoren, turbines of reactoren.

g)

Installaties voor de vervaardiging van kunstmatige minerale vezels.

h)

Installaties voor de terugwinning of vernietiging van explosieve stoffen.

i)

Vilderijen.

12.   TOERISME EN RECREATIE

a)

Skihellingen, skiliften, kabelbanen en bijbehorende voorzieningen.

b)

Jachthavens.

c)

Vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen.

d)

Permanente kampeer- en caravanterreinen.

e)

Themaparken.

13.

a)

Wijziging of uitbreiding van projecten opgesomd in bijlage I of in deze bijlage waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, die zijn of worden uitgevoerd en die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (niet in bijlage I opgenomen wijziging of uitbreiding).

b)

Projecten opgesomd in bijlage I die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt.


BIJLAGE III

IN ARTIKEL 4, LID 3, BEDOELDE SELECTIECRITERIA

1.   KENMERKEN VAN DE PROJECTEN

Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen:

a)

de omvang van het project;

b)

de cumulatie met andere projecten;

c)

het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

d)

de productie van afvalstoffen;

e)

verontreiniging en hinder;

f)

risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.

2.   PLAATS VAN DE PROJECTEN

Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen:

a)

het bestaande grondgebruik;

b)

de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied;

c)

het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden:

i)

wetlands;

ii)

kustgebieden;

iii)

berg- en bosgebieden;

iv)

reservaten en natuurparken;

v)

gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (1) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (2),

vi)

gebieden waarin de bij wetgeving van de Unie vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden,

vii)

gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid,

viii)

landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

3.   KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT

De potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in beschouwing worden genomen en in het bijzonder betrekking hebben op:

a)

het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking);

b)

het grensoverschrijdende karakter van het effect;

c)

de orde van grootte en de complexiteit van het effect;

d)

de waarschijnlijkheid van het effect;

e)

de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.


(1)  PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.

(2)  PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.


BIJLAGE IV

INFORMATIE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 5, LID 1

1.

Een beschrijving van het project, met in het bijzonder:

a)

een beschrijving van de fysieke kenmerken van het gehele project en de eisen met betrekking tot het gebruik van grond en terrein tijdens de constructie en bedrijfsfasen;

b)

een beschrijving van de voornaamste kenmerken van de productieprocessen, bijvoorbeeld aard en hoeveelheden van de gebruikte materialen;

c)

een prognose van de aard en hoeveelheid van de verwachte residuen en emissies (water-, lucht- en bodemverontreiniging, geluidshinder, trillingen, licht, warmte, straling, enz.) ten gevolge van het functioneren van het voorgenomen project.

2.

In voorkomend geval een schets van de voornaamste alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht, met opgave van de voornaamste motieven voor zijn keuze, in het licht van de milieueffecten.

3.

Een beschrijving van de waarschijnlijk aanmerkelijke milieueffecten van het voorgenomen project op met name: de bevolking, fauna en flora, bodem, water, lucht, de klimatologische factoren, materiële goederen, met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap en de onderlinge relatie tussen genoemde factoren.

4.

Een beschrijving (1) van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgestelde project ten gevolge van:

a)

het bestaan van het project;

b)

het gebruik van de natuurlijke hulpbronnen;

c)

de lozing van verontreinigende stoffen, het ontstaan van milieuhinder en de eliminering van afvalstoffen;

5.

Een beschrijving van de methode die de opdrachtgever heeft gebruikt voor de beoordeling van de in punt 4 bedoelde milieueffecten.

6.

Een beschrijving van de beoogde maatregelen om aanmerkelijke nadelige milieueffecten van het project te vermijden, te beperken en zo mogelijk te verhelpen.

7.

Een niet-technische samenvatting van de overeenkomstig de punten 1 tot en met 6 verstrekte informatie.

8.

Een opgave van de moeilijkheden (technische leemten of ontbrekende kennis) die de opdrachtgever eventueel heeft ondervonden bij het verzamelen van de vereiste informatie.


(1)  Deze beschrijving zou betrekking moeten hebben op de directe, en in voorkomend geval op de indirecte, secundaire en cumulatieve effecten op korte, middellange en lange termijn, permanent en tijdelijk, positief en negatief van het project.


BIJLAGE V

DEEL A

Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

(bedoeld in artikel 14)

Richtlijn 85/337/EEG van de Raad

(PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40)

 

Richtlijn 97/11/EG van de Raad

(PB L 73 van 14.3.1997, blz. 5)

 

Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17)

uitsluitend artikel 3

Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114)

uitsluitend artikel 31

DEEL B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht

(bedoeld in artikel 14)

Richtlijn

Omzettingstermijn

85/337/EEG

3 juli 1988

97/11/EG

14 maart 1999

2003/35/EG

25 juni 2005

2009/31/EG

25 juni 2011


BIJLAGE VI

Concordantietabel

Richtlijn 85/337/EEG

De onderhavige richtlijn

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 2, eerste alinea

Artikel 1, lid 2, aanhef

Artikel 1, lid 2, tweede alinea, aanhef

Artikel 1, lid 2, onder a), aanhef

Artikel 1, lid 2, tweede alinea, eerste streepje

Artikel 1, lid 2, onder a), eerste streepje

Artikel 1, lid 2, tweede alinea, tweede streepje

Artikel 1, lid 2, onder a), tweede streepje

Artikel 1, lid 2, derde alinea

Artikel 1, lid 2, onder b)

Artikel 1, lid 2, vierde alinea

Artikel 1, lid 2, onder c)

Artikel 1, lid 2, vijfde alinea

Artikel 1, lid 2, onder d)

Artikel 1, lid 2, zesde alinea

Artikel 1, lid 2, onder e)

Artikel 1, lid 3

Artikel 1, lid 2, onder f)

Artikel 1, lid 4

Artikel 1, lid 3

Artikel 1, lid 5

Artikel 1, lid 4

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 2 bis

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, lid 4

Artikel 3, aanhef

Artikel 3, aanhef

Artikel 3, eerste streepje

Artikel 3, onder a)

Artikel 3, tweede streepje

Artikel 3, onder b)

Artikel 3, derde streepje

Artikel 3, onder c)

Artikel 3, vierde streepje

Artikel 3, onder d)

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5, lid 1

Artikel 5, lid 1

Artikel 5, lid 2

Artikel 5, lid 2

Artikel 5, lid 3, aanhef

Artikel 5, lid 3, aanhef

Artikel 5, lid 3, eerste streepje

Artikel 5, lid 3, onder a)

Artikel 5, lid 3, tweede streepje

Artikel 5, lid 3, onder b)

Artikel 5, lid 3, derde streepje

Artikel 5, lid 3, onder c)

Artikel 5, lid 3, vierde streepje

Artikel 5, lid 3, onder d)

Artikel 5, lid 3, vijfde streepje

Artikel 5, lid 3, onder e)

Artikel 5, lid 4

Artikel 5, lid 4

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7, lid 1, aanhef

Artikel 7, lid 1, eerste alinea, aanhef

Artikel 7, lid 1, onder a)

Artikel 7, lid 1, eerste alinea, onder a)

Artikel 7, lid 1, onder b)

Artikel 7, lid 1, eerste alinea, onder b)

Artikel 7, lid 1, slotzin

Artikel 7, lid 1, tweede alinea

Artikel 7, leden 2 t/m 5

Artikel 7, leden 2 t/m 5

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9, lid 1, aanhef

Artikel 9, aanhef

Artikel 9, lid 1, eerste streepje

Artikel 9, lid 1, onder a)

Artikel 9, lid 1, tweede streepje

Artikel 9, lid 1, onder b)

Artikel 9, lid 1, derde streepje

Artikel 9, lid 1, onder c)

Artikel 9, lid 2

Artikel 9, lid 2

Artikel 10

Artikel 10

Artikel 10 bis, eerste alinea

Artikel 11, lid 1

Artikel 10 bis, tweede alinea

Artikel 11, lid 2

Artikel 10 bis, derde alinea

Artikel 11, lid 3

Artikel 10 bis, vierde en vijfde alinea

Artikel 11, lid 4, eerste en tweede alinea

Artikel 10 bis, zesde alinea

Artikel 11, lid 5

Artikel 11, lid 1

Artikel 12, lid 1

Artikel 11, lid 2

Artikel 12, lid 2

Artikel 11, lid 3

Artikel 11, lid 4

Artikel 12, lid 3

Artikel 12, lid 1

Artikel 12, lid 2

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 14

Artikel 16

Bijlage I, punt 1

Bijlage I, punt 1

Bijlage I, punt 2, eerste streepje

Bijlage I, punt 2, onder a)

Bijlage I, punt 2, tweede streepje

Bijlage I, punt 2, onder b)

Bijlage I, punt 3, onder a)

Bijlage I, punt 3, onder a)

Bijlage I, punt 3, onder b), aanhef

Bijlage I, punt 3, onder b), aanhef

Bijlage I, punt 3, onder b), eerste streepje

Bijlage I, punt 3, onder b), i)

Bijlage I, punt 3, onder b), tweede streepje

Bijlage I, punt 3, onder b), ii)

Bijlage I, punt 3, onder b), derde streepje

Bijlage I, punt 3, onder b), iii)

Bijlage I, punt 3, onder b), vierde streepje

Bijlage I, punt 3, onder b), iv)

Bijlage I, punt 3, onder b), vijfde streepje

Bijlage I, punt 3, onder b), v)

Bijlage I, punt 4, eerste streepje

Bijlage I, punt 4, onder a)

Bijlage I, punt 4, tweede streepje

Bijlage I, punt 4, onder b)

Bijlage I, punt 5

Bijlage I, punt 5

Bijlage I, punt 6, aanhef

Bijlage I, punt 6, aanhef

Bijlage I, punt 6, onder i)

Bijlage I, punt 6, onder a)

Bijlage I, punt 6, onder ii)

Bijlage I, punt 6, onder b)

Bijlage I, punt 6, onder iii)

Bijlage I, punt 6, onder c)

Bijlage I, punt 6, onder iv)

Bijlage I, punt 6, onder d)

Bijlage I, punt 6, onder v)

Bijlage I, punt 6, onder e)

Bijlage I, punt 6, onder vi)

Bijlage I, punt 6, onder f)

Bijlage I, punten 7 t/m 15

Bijlage I, punten 7 t/m 15

Bijlage I, punt 16, aanhef

Bijlage I, punt 16, aanhef

Bijlage I, punt 16, eerste streepje

Bijlage I, punt 16, onder a)

Bijlage I, punt 16, tweede streepje

Bijlage I, punt 16, onder b)

Bijlage I, punten 17 t/m 21

Bijlage I, punten 17 t/m 21

Bijlage I, punt 22

Bijlage I, punt 24

Bijlage I, punt 23

Bijlage I, punt 22

Bijlage I, punt 24

Bijlage I, punt 23

Bijlage II, punt 1

Bijlage II, punt 1

Bijlage II, punt 2, onder a), b) en c)

Bijlage II, punt 2, onder a), b) en c)

Bijlage II, punt 2, onder d), aanhef

Bijlage II, punt 2, onder d), aanhef

Bijlage II, punt 2, onder d), eerste streepje

Bijlage II, punt 2, onder d), i)

Bijlage II, punt 2, onder d), tweede streepje

Bijlage II, punt 2, onder d), ii)

Bijlage II, punt 2, onder d), derde streepje

Bijlage II, punt 2, onder d), iii)

Bijlage II, punt 2, onder d), slotzin

Bijlage II, punt 2, onder d), slotzin

Bijlage II, punt 2, onder e)

Bijlage II, punt 2, onder e)

Bijlage II, punten 3 t/m 12

Bijlage II, punten 3 t/m 12

Bijlage II, punt 13, eerste streepje

Bijlage II, punt 13, onder a)

Bijlage II, punt 13, tweede streepje

Bijlage II, punt 13, onder b)

Bijlage III, punt 1, aanhef

Bijlage III, punt 1, aanhef

Bijlage III, punt 1, eerste streepje

Bijlage III, punt 1, onder a)

Bijlage III, punt 1, tweede streepje

Bijlage III, punt 1, onder b)

Bijlage III, punt 1, derde streepje

Bijlage III, punt 1, onder c)

Bijlage III, punt 1, vierde streepje

Bijlage III, punt 1, onder d)

Bijlage III, punt 1, vijfde streepje

Bijlage III, punt 1, onder e)

Bijlage III, punt 1, zesde streepje

Bijlage III, punt 1, onder f)

Bijlage III, punt 2, aanhef

Bijlage III, punt 2, aanhef

Bijlage III, punt 2, eerste streepje

Bijlage III, punt 2, onder a)

Bijlage III, punt 2, tweede streepje

Bijlage III, punt 2, onder b)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, aanhef

Bijlage III, punt 2, onder c), aanhef

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder a)

Bijlage III, punt 2, onder c), i)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder b)

Bijlage III, punt 2, onder c), ii)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder c)

Bijlage III, punt 2, onder c), iii)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder d)

Bijlage III, punt 2, onder c), iv)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder e)

Bijlage III, punt 2, onder c), v)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder f)

Bijlage III, punt 2, onder c), vi)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder g)

Bijlage III, punt 2, onder c), vii)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder h)

Bijlage III, punt 2, onder c), viii)

Bijlage III, punt 3, aanhef

Bijlage III, punt 3, aanhef

Bijlage III, punt 3, eerste streepje

Bijlage III, punt 3, onder a)

Bijlage III, punt 3, tweede streepje

Bijlage III, punt 3, onder b)

Bijlage III, punt 3, derde streepje

Bijlage III, punt 3, onder c)

Bijlage III, punt 3, vierde streepje

Bijlage III, punt 3, onder d)

Bijlage III, punt 3, vijfde streepje

Bijlage III, punt 3, onder e)

Bijlage IV, punt 1, aanhef

Bijlage IV, punt 1, aanhef

Bijlage IV, punt 1, eerste streepje

Bijlage IV, punt 1, onder a)

Bijlage IV, punt 1, tweede streepje

Bijlage IV, punt 1, onder b)

Bijlage IV, punt 1, derde streepje

Bijlage IV, punt 1, onder c)

Bijlage IV, punten 2 en 3

Bijlage IV, punten 2 en 3

Bijlage IV, punt 4, aanhef

Bijlage IV, punt 4, eerste alinea, aanhef

Bijlage IV, punt 4, eerste streepje

Bijlage IV, punt 4, eerste alinea, onder a)

Bijlage IV, punt 4, tweede streepje

Bijlage IV, punt 4, eerste alinea, onder b)

Bijlage IV, punt 4, derde streepje

Bijlage IV, punt 4, eerste alinea, onder c)

Bijlage IV, punt 4, slotzin

Bijlage IV, punt 5

Bijlage IV, punt 5

Bijlage IV, punt 6

Bijlage IV, punt 6

Bijlage IV, punt 7

Bijlage IV, punt 7

Bijlage IV, punt 8

Bijlage V

Bijlage VI